terminology

21 termen die webdesigner en developers gebruiken

Bij Code-on helpen we onze klanten met plezier. Omdat we weten dat IT-jargon vaak moeilijk te begrijpen is, laten we dit zo veel mogelijk achterwege. Toch is het nuttig om een ​​aantal termen te kennen die vaak worden gebruikt.

webdesign

Hier zijn enkele terugkerende termen.

Frontend:

Ontwikkelaars noemen de gebruikersinterface van een website of applicatie de frontend. Programmeren voor de frontend is van invloed op hoe de site of applicatie eruit ziet en hoe de gebruiker ermee communiceert.

Backend:

De onderliggende code van een site bevindt zich aan de backend. Wanneer gegevens worden ingevoerd via de frontend, moeten ze worden opgeslagen in een database, die beschikbaar is wanneer een gebruiker gegevens opvraagt. Voordat gegevens worden opgeslagen of opgehaald, moeten vaak verificaties, verwerking en relaties worden vastgesteld. Dat is typisch back-end werk.

"Back-end" verwijst ook vaak naar het administratieve deel van de website. De beheerders van de site, kortweg admins, kunnen hier op een website werken via een content management systeem (CMS).

MVP:

MVP staat voor minimaal levensvatbaar product. De webontwikkelaar zal vaak voorstellen om eerst een MVP te bouwen. Vervolgens worden het minimum aantal functies gemaakt m.a.w -> de essentie. Zo kunt u de markt testen en laat investeerders zien dat uw bedrijfsplan potentieel heeft. Later, wanneer u meer en meer gebruikers krijgt, vraagt ​​u de webontwikkelaars om extra functies toe te voegen.

SPA:

SPA staat voor één pagina-applicatie. Wanneer een gebruiker naar een andere pagina surft, zal via ​​javascript de nodige gegevens en elementen opvragen aan de server via een applicatie programma interface (API's, zie onderstaande definitie). De browser zal dan met deze gegeven de nieuwe pagina renderen. Het voordeel is dat de applicatie veel sneller reageert en veel interactiever wordt. Immers een klein nieuw element heeft geen volledige page reload nodig. De focus van ontwikkeling verschuift daarom naar de frontend.

SPA is de laatste jaren in opkomst. Dit is pas mogelijk geworden sinds Javascript als taal volwassen is geworden.

Code-on gelooft sterk in het bouwen van SPA.

Typische javascript-frameworks die worden gebruikt voor het programmeren van SPA-toepassingen zijn VUE, React en Angular. Code-on gebruikt VUE of Angular.

MPA:

MPA staat voor multipage-applicatie. Dit is de traditionele manier om een ​​applicatie te ontwikkelen. In tegenstelling tot SPA zal wanneer een gebruiker gegevens opvraagt de server een html-pagina bouwen en deze naar de browser sturen. Telkens wanneer de gebruiker een nieuwe vraag stelt, ontvangt de server deze en bouwt hij een nieuwe pagina. De voordelen is dat het ontwikkelings process sneller gaat. Het nadeel is dat de interactiviteit en snelheid van de applicatie minder is.

API:

API staat voor applicatie-programmeerinterface. Je kunt het zien als een soort socket. Een API ziet er meestal als een weergave van gegevens uit, meestal in het JSON-formaat (JSON: Javascript Object Notation, zie onderstaande definitie). De computer kan het dan lezen en in een leesbaar formaat weergeven in de browser. Als het gaat om het bouwen van de applicatie met SPA, zal er bijna altijd eerst een API zijn.

Headless:

Nauw verbonden met API en SPA betekent headless dat het administratieve gedeelte van de site gescheiden is van de voorkant. Een headless CMS betekent bijvoorbeeld dat de CMS altijd in de API resulteert. Als u een API hebt, kan de SPA-toepassing worden gebouwd. Dit kan dan bijvoorbeeld op heel verschillende of meerdere URL's worden geplaatst.

JSON:

JSON staat voor Javascript Object Notation. Het is een gestandaardiseerd gegevensformaat dat wordt gebruikt om gegevens uit te wisselen.

Framework:

Frameworks worden gebouwd om het ontwikkelingsproces te vereenvoudigen. In principe heb je geen framework nodig voor softwareontwikkeling. Maar het zou veel werk kosten om software zonder een framework te bouwen, aangezien een framework al vele oplossingen en best practices bevat. Anders zou je ze allemaal moeten (her)uitvinden! Code-on maakt bijvoorbeeld gebruik van verschillende frameworks, zoals Django, Django REST, VUE en Angular.

Unit tests:

Unit test zijn tests die programmatisch worden geschreven. Wanneer uw code verandert, zal de unit-test bewijzen of de nieuwe code nog steeds de verwachte resultaten valideert. Als de gegevens bijvoorbeeld een getal verwachten en het plotseling mogelijk wordt om een ​​letter in te voeren, zal de unit-test een fout detecteren. Op deze manier weten ontwikkelaars dat ze een fout hebben gemaakt.

Git repository en versiebeheer:

Git is een versie controlesysteem. Wanneer een programmeur een stuk code heeft geschreven, dient hij dit in bij een repository. Elke verandering wordt daar geregistreerd. Als een stuk code bijvoorbeeld niet werkt, kunt u altijd zien wie dat stuk code heeft geschreven en wanneer het is geschreven en mogelijk de oude code terug opvragen. Met andere woorden, het is de ideale code back-up. Git is de facto standaard geworden in de IT-wereld.

SSL:

SSL staat voor Secure Socket Layer. Het is een protocol voor de gegevens die worden uitgewisseld om te worden gecodeerd tussen de server en de browser (client). Dat betekent dat iemand (de middleman) anders deze gegevens niet kan lezen. U herkent dit aan de "https: //" in de URL-balk. Vandaag is het standaard om uw website van SSL te voorzien. Dit is gratis met Letsencrypt en komt ten goede voor uw SEO.

UI-ontwerp

UI staat voor gebruikersinterface. De ontwerpers en front-end engineers werken hieraan. Alle interactie met een computer verloopt via de gebruikersinterface. Het is in essentie hoe je communiceert met de computer en applicatie.

UX ontwerp

UX staat voor gebruikerservaring. Ontwikkelaars werken aan het oplossen van de volgende problemen: hoe gemakkelijk kan de gebruiker omgaan met de toepassing? Is een taak frustrerend? Kunnen we de gebruikerservaring vereenvoudigen? Hoe zit het met conversie? Bij UX gaat het erom de applicatie gebruiksvriendelijk te maken.

Lo-fi ontwerp:

Lo-Fi-ontwerp is de schetsmatige uitwerking van een ontwerp. Het kijkt naar de functionaliteit die het moet hebben en geeft een algemeen beeld van wat er moet worden gebouwd. Dit gaat vaak gepaard met wireframes.

Wireframe:

Wireframes zijn schetsen van een toepassing. Deze laten niet zien hoe het ontwerp eruit zal zien, maar gaan over de functionaliteit. De volledige applicatie kan op deze manier worden weergegeven. Het hoeft dus niet mooi te zijn maar wel functioneel.

Hi-fi Design:

Hi-fi design is wanneer alle wireframes samenkomen om een ​​afgewerkt ontwerp te vormen. Hier is de applicatie volledig in detail opgesteld. De UI en UX komen voor de eerste keer samen bij het bepalen van het ontwerp, inclusief kleuren, lettertype, knoppen, menu's, widgets, enz.

Widget:

Een widget is een kleiner element binnen de applicatie. We gebruiken dit vaak om een ​​kleine, afzonderlijke functionaliteit aan te geven. Een widget kan bijvoorbeeld een zijbalk zijn die aangeeft hoeveel uur u hebt gewerkt.

Responsive design:

Wanneer we een applicatie of website ontwerpen, coderen de front-end engineer en designer dit zodat alles op de pagina wordt aangepast om leesbaar te blijven op elke schermgrootte, inclusief smartphones. Responsive design is ook bedoeld als iemand een browservenster vergroot of verkleint. Bijvoorbeeld, elementen die in dezelfde rij op een breedbeeldmonitor verschijnen, kunnen verticaal op het scherm van een mobiel apparaat worden gestapeld.

CSS:

CSS staat voor cascading style sheet. Dit is waar de front-end ontwikkelaar beschrijft hoe de applicatie eruit zou moeten zien. In de CSS kun je bijvoorbeeld zeggen dat een H1-titel 22 px groot moet zijn. Als u vervolgens een H1-titel in de html van uw site of applicatie plaatst, is deze 22 px groot.

Above the fold:

Deze term komt uit de krantenwereld. Wanneer u een krant te koop in een winkel ziet, ziet u alleen de bovenste helft van de voorpagina, omdat de krant dubbel gevouwen ligt. Uiteraard wil men de belangrijkste headline above the fold zetten. In webontwerp wordt hier rekening mee gehouden "above the fold" zodat de belangrijkste inhoud eerst op het scherm ziet, zonder naar beneden te hoeven scrollen. We houden ook best rekening mee dat er verschillende schermgroottes zijn. Van ultra breedbeeld tot smartphones.

Webontwikkeling gebruikt veel jargon. Dit zijn de meest voorkomende termen die u op een aanhaling leest of wanneer u met een ontwikkelaar werkt. Programmeurs gebruiken nog meer jargon, zoals singleton, cache en recursief. Maar als klant hoeft u daar niet mee om te gaan.

In een toekomstige blogpost zal ik een aantal termen voor projectbeheer bespreken, zoals agile, waterfall, backlog, WBS, Milestone, Triple constraint, prince2 en Scrum. In een andere blogpost zal ik ingaan op welke analytische termen u het beste zou moeten weten wanneer u van plan bent om een ​​startup te starten.